Het zijn gepassioneerde leraren die je met het virus van
liefde voor taal aansteken. Dat is bekend: passie is een doorgeefluik. Dit is
een kort stukje, een hommage aan de leraren Nederlands uit mijn leven.
Ik begin met Roger Verkarre (+ 2001). Regentaat Torhout. Hij
was een priester-leraar, maar van de “bevrijde” soort. Legendarisch was zijn
eerste les en openingszin. “Sommige
zeggen: Verkarre is links, anderen zeggen: Verkarre is rechts. Maar ik ben niet
links, noch rechts, maar Verkarre! En onberekenbaar!”
Roger Verkarre was een intieme vriend van wijlen dichter
Paul Snoeck en schreef zelf ook poëzie. Wat aanstekelijk werkte, want zelf begon
ik niet onverdienstelijke gedichten te schrijven met o.m. de bundels “de
Achtste Dag” en “Leven met Lene”, waarvan sommigen gepubliceerd werden in poëziebloemlezingen
à la “Beste Gedichten van het Jaar”.
Verkarre was de man die bij Hadewijch’s “Alle
dinghe” het vers “MI ES TE INGHE AL EL” uitschreeuwde, claimend dat het met al die klinkers een weergave van een orgasme was.
Verkarre was de man die tijdens een vroegmis die hij opdroeg voor de paters die
in hun pijen suffend in hun koorgestoelte zaten te soezen i.p.v. “Bid broeders!” de mooie verdraaiing formuleerde:
“Broed bidders!” Slechts 2 schrokken
lichtjes wakker. Verkarre was dé Gezellekenner en ik werd een instant Gezellefan.
Hij was de man die bij het lezen van literatuur op vrijdagnamiddag klaagde dat
dat toch niet ging na die slechte vislunch. Vrijdag visdag was massaal gehaat
op school en af en toe zouden we ook hem stiekem zien frieten eten in het dorp
(net als wij)… Verkarre was ook de man die pleitte dat het woord “zwaantje”
nooit zou weg mogen als term voor de gemotoriseerde politie. Een statement.
Het jaar daarvoor hadden we Tytgat, een indrukwekkende
verschijning met een lange roodachtige baard, bril en een taal met licht
Hollands accent die twee keer zo snel praatte als een gewone mens. Een
sneltrein van informatie, geluid, klanksoorten en -woorden en moeilijke,
metershoge leerstof. Maar een locomotief van ingehouden woordenpassie. Daartegenover,
een dt-fout in gelijk welk examen, ook van ander vakken, en je had herexamens. En ook moesten we 10 boeken van allerlei stijlen en periodes lezen
en bespreken. Van de Leeuw van Vlaanderen tot Nooit meer slapen van Hermans. Dat
waren tijden beste jongeren van nu!
In de Latijnse op Sint-Lodewijks hadden we eerst Schaeverbeke
(“Schavie”), een instituut in een grijze schort die ons netjes liet noteren in
een dik, verplicht bij Decorte te kopen, schrift met ruitjes, bijgenaamd het “telefoonboek“.
Dan was er Mr. Baele die zo graag een lapnaam wou, maar Baele is dat niet
lapnaamachtig genoeg? De rijkdom van het benoemen was er anders wel overal. Een
studiezaal op pijlers werd b.v. “De Ark Van Noach” genaamd.
Na mijn overschakeling naar de moderne kreeg ik
Descheemaeker. Deze was zelf een van de auteurs van de handboeken Nederlands
die in de humanoria’s overal werden gebruikt. Zijn bijnaam was “schètje”, hij
was ook maar een, heu, scheetje groot. Eens had ik het zo bont gemaakt met
kattenkwaad dat na een reeks waarschuwingen hij me toepiepte: “Ik heb u verwittigd Van Besien, ik moet u
een hele zware straf geven. Schrijf anderhalve bladzijde!“ Het strafste was
dat ik me nadien ben gaan verontschuldigen in de hoop op strafkwijtschelding en
jawel hoor. Doodbrave man. In de menswetenschappen werd Nederlands het absolute
hoofdvak. Dhr. Vangheluwe, een flamboyant heerschap voedde ons op met (de zonet
overleden) Ward Ruyslinck en Wierook en Tranen, waarvan ik ooit nog een
bespreking maakte. Over Ruyslinck werd buitenschools geringschattend gedaan
maar zijn invloed was groot en hij was toch een opstapje naar de ‘grote’
literatuur. Kortom, Claus kwam later. Maar hij en Vangheluwe zorgden ervoor dat
ik voor de rest van mijn leven zeer maatschappijkritisch zou ingesteld blijven.
Het boek Het Reservaat heb ik meegesleept gelezen en ik ging spontaan protesteren
binnen ons gezin tegen kleinburgerlijkheid , bekrompenheid, domheid en massaconsumptie.
Helaas op het niveau van de puber die ik toen nog was. Lichtjes belachelijk
dus. Zo wou ik op reis in Spanje niet naar het strand gaan bruinen, dat was te
banaal, dus zat ik op ons appartement in lange teksten de wereld te verbeten. Vakantie! Maar weigerde ik toen al stierengevechten te gaan bekijken en zo.
Ik eindig met Godfried Desloovere (foto: midden centraal), die de gewoonte had als
hij een mooie tekst of gedicht had gelezen, te besluiten met “Da’s toch schoon, hé mijne heren?” Geen
wonder dat ik schreef, las en naar Poëzieavonden ging. Zo liet ik me vernederen
door acteur Guido Lauwaert, toen organisator van de Nacht van de Poëzie (waarvan
ik droomde er te mogen optreden). Toen ik met hem door Gent wandelde liet hij
mij zijn boekentas dragen maar toen we er Hugo Claus, de meester zelf ja,
tegenkwamen, hij mij introduceerde als zijn “loopjongen”, hield ik het voor
bekeken. Al maakte ik het nog eens mee dat aan de Unief van Leuven ik na een Nacht
van de Poëzie tot de ochtend met de mega-stonede Simon Vinkenoog op de lappen
ging. Hij draaide constant overal zijn jointjes openlijk, dronk bij het leven
en kraamde pseudo-poëtische onzin uit. Ook hij liet mij zijn boekentas dragen
maar dat was met plezier want een dolle nacht.
Maar niet alleen
literatuur. De rijkdom van taal, ook het volkse. Opmerkingen en geestigheden,
ook in dialect, kunnen mij gelukkig maken, of een goede volzin, een alerte
commentaar, de ultieme woordspeling of zelfs de man op de markt gisteren die
over een kuip vissla zei: “ ’t er zit daar nu ne keer twee keer nietent in”. De
taal is gansch het volk. Dank u leraren Nederlands.